Honderd betalingen van tien euro
Voor het rekenvoorbeeld vraagt aanbieder A € 15 per maand en € 0,12 per verwerkte betaling. B vraagt geen vast maandbedrag en brengt 1,8 procent van het totaal betaalde bedrag in rekening. Deze verzonnen tarieven gelden in de oefening voor dezelfde betaalsoort. Apparatuur, belastingen en overige kosten laten we voor de rekenvergelijking apart. Bij honderd betalingen van € 10 is er in totaal € 1.000 verwerkt.
Bij A bedragen de variabele kosten honderd maal twaalf cent, dus € 12. Met het maandbedrag kom je uit op € 27. Bij B is 1,8 procent van duizend euro gelijk aan € 18. De kostensoort in dit voorbeeld is bij B dus € 9 lager. Dat verschil hoort bij deze ene combinatie van bedrag en aantal. Het zegt nog niet welk pakket de winkel nodig heeft.
Dezelfde duizend euro in tien betalingen
Verander alleen het aantal en de gemiddelde bon. Tien betalingen van € 100 geven opnieuw € 1.000 aan verwerkt bedrag. A komt nu op € 15 plus tien keer € 0,12, samen € 16,20. De kosten bij B blijven op € 18. Onder deze aannames is A bij de grotere bonnen € 1,80 lager. De twee berekeningen gebruiken dezelfde maandomzet, maar het aantal afzonderlijke handelingen dat wordt afgerekend verschilt.
Vraag of de echte aanbieder ook minimale tarieven, verschillende kaartsoorten of voorwaarden voor betalingen op afstand kent. Een betaling aan de toonbank en een betaling via een webshop vallen niet vanzelf binnen dezelfde prijslijst. Houd in je invoer bovendien betaalde voorschotten en terugbetalingen uit elkaar, zodat duidelijk blijft welke gebeurtenissen volgens het contract kosten veroorzaken.
Neem de werkplek mee in de keuze
Een dienstverlener die onderweg afrekent heeft andere apparatuur en verbindingen nodig dan een winkel met een vaste kassa. KVK beschrijft verschillende betaaloplossingen en de invloed van functies, type vestiging en contractkosten. Vraag wie de apparatuur beheert, hoe een extra afrekenplek wordt geprijsd en wat er gebeurt wanneer een terminal uitvalt.
Voor je eigen vergelijking zijn twee aannamebladen voldoende om gericht te beginnen. Eén met veel kleine transacties en één met minder, grotere betalingen. Vervang de bedragen door verifieerbare opgaven en een onderbouwde verwachting voor jouw klantmix. Zo bespreek je de kosten in relatie tot het werk dat jouw vestiging werkelijk aan de kassa gaat doen.
Vragen voor het vervolg
- Welke betaalmethoden vallen onder iedere prijsregel?
- Hoeveel transacties horen bij het omzetbedrag waarmee ik vergelijk?
- Welke extra kosten ontstaan bij hardware, terugbetaling of een extra terminal?
Bronnen
Welke opgave wil je naast de andere leggen?
Het aantal betaalmomenten en de besteding per keer bepalen samen welke kostenregel bij dezelfde omzet het zwaarst doorwerkt.
